Grote kleine kinderen

Op het moment dat ik dit schrijf, ligt Lisa op haar buik in bed een boek te lezen, terwijl onze kat Kiwi aan haar voeteinde zachtjes spint. Een moment om vast te houden. Later op de dag, wanneer broer en zus gillend elkaars speelgoedwinkel verwensen, lijkt de rustige ochtend er eentje uit een ver verleden.

Ze veranderen stilaan, mijn kleine kinderen. Je zou denken dat je hen niet ziet veranderen, omdat je er steeds bij bent, maar dat klopt niet. Ik heb de indruk dat kinderen groeien in sprongen, plots zijn alle broeken te klein, plots ziet hun gezicht er anders uit. Lisa’s gezicht is slanker, volwassener geworden. Arno vindt het plots belangrijk om alle dagen een zwarte ketting aan te doen, ook al zitten we hele dagen thuis in dezelfde comfortabele outfit. En allebei volgen ze dagelijks hun aantal stappen en uren slaap op dankzij hun smartwatch. Waarschijnlijk valt hun groeispurt me ook extra op omdat ik nu al avonden achter elkaar met foto’s van 4 en 5 jaar geleden word geconfronteerd omdat ik een fotoboek voor de jaren 2015-2016 aan het maken ben (ik weet het, ik sta ver achter als het gaat over gezinssouvenirs bewaren).

In die vier jaar tijd veranderden de kinderen veel en toch ook weer niet. Ze hadden toen al hetzelfde karakter, of zo herinner ik het me toch. Zouden die karakters nog grondig worden bijgestuurd door het leven? Waarschijnlijk wel. Wat heb ik nog te maken met het achtjarige meisje dat ik ooit geweest ben? Ik was een rustig kind, wordt me vaak verteld. Dat zit nog altijd in me, hoewel de volwassen term daarvoor ‘kalm’ is. Niet zelden kijk ik naar de opvliegende stofwolken om me heen en vraag ik me af waar iedereen zich de hele tijd druk in maakt. Deed ik dat als kind ook al? Ik was ook een verlegen kind. En ook dat zit nog in me, al steekt het maar in bepaalde situaties de kop op. Wanneer ik iemand tegenkom die ik eigenlijk niet zo goed ken. Dan zweven de miljoenen mogelijke gespreksonderwerpen weg uit m’n hoofd en weet ik niet wat ik moet zeggen. Iets waar ik bij vrienden nooit last van heb. Dus ja, dat noem ik verlegenheid, al wordt de volwassen variant nogal eens verward met asociaal zijn of hautain zijn.

Als ik Arno en Lisa bezig zie, in al hun uitbundigheid, dan vind ik ‘rustig’ niet de juiste term om op hen te plakken. Ze springen, lopen, worstelen met elkaar, maken ruzie, schaterlachen. Maar als er andere kinderen over de vloer komen, dan vind ik die meestal wel ontzettend druk.

Ruzie maken ze zelden met slaande deuren, het is eerder elkaar jennen en manipuleren. Een broer of zus hebben, het is zoals een testpersoon hebben tijdens je volledige kindertijd om je sociale vaardigheden op te trainen: wat pikt de ander? Wanneer ga ik over een grens? Hoe haal ik mijn gelijk? En betekent dat ook dat ik mijn zin krijg?

Toen ik gisterenavond na een lange werkdag twee uitgebluste kinderen op de zetel vond, vroeg ik of ze zin hadden om te gaan rolschaatsen. Ik werd overdonderd door hun uitbundige: ‘Jaaaa!’. Dus daar gingen we, ik te voet, de twee kinderen op hun inline skates. Eerst aan een tempo van een gemiddelde marktganger, maar na een paar honderd meter moest ik er al stevig de pas inzetten. Helemaal bezweet waren ze toen we een uur later terug thuis kwamen. Ik moest hen beloven dat we morgen opnieuw gaan skaten. Zo lang ze zo enthousiast blijven over iets, blijven het toch kinderen, hoe groot ze ook worden. Hopelijk duurt dat hun leven lang.

Posts created 11

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven